Gestalt

pagina in aanbouw

Gestalt

binnen supervisie

 

De Gestalttherapie is in de vijftiger jaren ontwikkelt door met name Fritz Perls. Ronald Wolbrink (2005) heeft in zijn boek ‘Gestalt in supervisie’ een vertaling gemaakt voor het werken met de Gestaltbenadering in supervisie. In tegenstelling tot een therapiesituatie worden in supervisie ervaringen uit het verleden en uit de privé-situatie niet uitgewerkt. De focus ligt op de beroepsuitoefening waarvoor de supervisant ook in staat is om verantwoordelijkheid te dragen. De Gestaltbenadering bevordert met name het ervaren en de integratie op het eerste niveau, dit is de samenhang tussen denken, voelen en handelen.

De Gestalt benadering richt zich op het vergroten van gewaarzijn, waardoor de supervisant tot heelheid komt en waardoor zij in staat is tot een beter contact met zichzelf en anderen. Gewaarzijn is een besef, een aanvoelen, een intuïtief weten van wat er in het hier-en-nu gebeurt. Het is een vorm van onbevangen waarnemen. Dit gewaarzijn betreft zowel de binnenzone (de lichamelijke gewaarwordingen en gevoelens), de buitenzone (het eigen gedrag en de mensen en dingen om ons heen) en de middenzone, dat is alles waarmee we betekenis geven aan de binnen- en buitenzone (denken, fantaseren, verwachten, herinneren en plannen). Problemen ontstaan er als dit gewaarzijn zich beperkt tot 1 zone. Bijvoorbeeld als de supervisant teveel in haar hoofd zit (de middenzone) of teveel gericht is op de ander (de buitenzone). Integratie op het eerste niveau betekent dat de supervisant kan pendelen tussen deze zones.

 

Interventies om het gewaarzijn te vergroten:

De supervisor kan dit gewaarzijn van de supervisant stimuleren. Hieronder puntsgewijs een aantal interventies:

  • De supervisant laten vertellen over haar werkinbreng (= een daar-en-toen ervaring) zodat het tot een hier-en-nu ervaring wordt.
  • Stel vragen als:
    • Concentreer je en schenk aandacht aan wat je nu ervaart.
    • Welk belang vertegenwoordigt dat gevoel?
    • Welke betekenis heeft dit voor je?
    • Welk appèl doet die ander op jou?
    • Wat was jouw aandeel?
  • Laat de supervisant diverse aspecten van een gewaarwording benoemen (=differentiëren).
  • Stel ‘wat’- en ‘hoe’-vragen:
    • ‘Waarom’-vragen leiden tot verklaringen en weg van de gewaarwording
  • Geef je eigen waarnemingen terug aan de supervisant.
    • Met name ook van non-verbaal gedrag.
  • De vijf essentiële vragen van Fritz Perls gebruiken:
    • Wat ben je nu aan het doen?
    • Wat voel je nu?
    • Wat wil je nu?
    • Wat verwacht je nu (dat er zal gebeuren)?
    • Wat ben je aan het vermijden?

 

Werken met stoelen:

Gevoelens die je niet gewaar bent, verdwijnen in de zogenaamde ‘schaduw’. Dit zijn de negatief gelabelde delen van jezelf, die je niet wilt kennen of niet wilt tonen. Door non-verbaal gedrag kunnen die naar de oppervlakte sijpelen. Om tot integratie te komen van deze weinig bewuste en weinig erkende gevoelens is het werken met stoelen geschikt. In de aanloop kan de supervisor dit non-verbale gedrag teruggeven aan de supervisant en zo nodig vragen om dit (versterkt) te herhalen. Vervolgens vraag je de supervisant aan twee tegengestelde polen een naam te geven. Bijvoorbeeld mijn ‘zelfverzekerde’ kant en mijn ‘onzekere’ kant. Je zet voor beide posities een stoel neer[1] en vraagt de supervisant te beginnen met de positie die op dat moment dominant is en laat haar plaats nemen op één van de twee stoelen. Je vraagt de supervisant deze positie te expliciteren, te vertellen vanuit deze positie, met de bijbehorende zienswijze en gevoelens. Vraag de supervisant daarbij in de ik-vorm en in de tegenwoordige tijd te spreken. Let erop of het non-verbale gedrag congruent is. Zo nee, stimuleer dan het gewaarworden van deze positie. Als dit gelukt is, vraag dan de supervisant in de andere stoel plaats te nemen en zich in te leven in de tegenovergestelde positie en laat haar deze positie expliciteren. Als dit gelukt is, laat dan beide posities met elkaar in dialoog gaan. Kom zo min mogelijk tussen beide. Vraag soms een boodschap te herhalen of te versterken. Geef een opmerkingswaardige verandering in lichaamstaal terug. Stimuleer zo nodig de dialoog. Schik niet van hevige emotionele reacties. Als het goed is, leidt de dialoog tot herkenning, erkenning en respect voor de beide posities en uiteindelijk tot integratie.
Dit werken met stoelen is ook goed toe te passen bij ambivalentie of een intern conflict. Maar ook bij een conflict met een buitenstaander. De supervisant gaat dan zitten op diens stoel en leert gewaar te zijn van diens optiek en ervaring.

[1] Als het gaat om een polariteit zet je de stoelen tegenover elkaar. Als het gaat om een onderscheiding dan zet je ze naast elkaar.

 

P.s. Dit artikel komt uit mijn eindwerkstuk voor de supervisieopleiding, mei 2007, getiteld: 
‘De pendelbeweging naar de ervaring toe en van de ervaring af;
supervisorische interventies ter ondersteuning van de supervisant’.
Voor een samenvatting zie link naar een gepubliceerd artikel.